Zonering en GVE-norm in de stikstofbrief bedreigen voortzetting bedrijf Houbraken
Zoals waarschijnlijk iedereen heeft ook Adrian Houbraken in Bergeijk, Koeien Kansen deelnemer, de Stikstofbrief goed bestudeerd. De gevolgen voor zijn bedrijfsvoering zullen groot zijn. Dit geldt niet alleen voor de doelen voor NH3 per fosfaatrecht en de CO2-opgave, maar ook voor de beperkingen in de zones waarover gesproken wordt.

Naast het van de technische doelen zijn er vooral ook zorgen over de zonering van 500 of 1000 meter. Zoals de stand van zaken nu is, valt volgens de voorstellen nagenoeg de gehele bedrijfsoppervlakte binnen de 1.000-meterzone rond de Keersop. Dit is een klein beekje waar Adrian in het najaar van 2025 nog veel complimenten over heeft gekregen, onder andere van de provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel, vanwege de positieve invloed van zijn bedrijfsvoering op de beek.
De ammoniakemissie is laag en de waterkwaliteit is zeer goed. Vooral de ontzettend lage N-min metingen in de laag van 0-90 cm en de lage nitraatgehalten in het bovenste grondwater vallen op. Bijzonder is bovendien dat voor deze beek geen stikstofopgave ligt, terwijl er volgens de voorstellen wel een zone van 1.000 meter om heen komt.
Samen rekenen aan de gevolgen
Aan de hand van de Kamerbrief zijn we samen aan het rekenen gegaan, met uiteraard een aantal uitgangspunten waarover te discussiëren valt. Aangezien de precieze uitwerking van deze brief nog niet is vastgesteld.
Een eerste uitgangspunt is dat omvang van de veestapel op niveau moet blijven, uitgedrukt in het aantal dieren en grootvee-eenheden (GVE’s).
In de huidige situatie zijn er 150 melkkoeien en 89 stuks jongvee aanwezig. Omgerekend komt dit neer op 182 GVE’s, oftewel 3,2 GVE per hectare.
De Kamerbrief wijst op een veebezetting van 2,6 GVE per hectare buiten de zone, met een verdere beperking binnen de zone. In onze berekening zijn we uitgegaan van 1,5 GVE per hectare. De beperking wordt in onze berekening op perceelniveau ingevuld.
In eerste instantie gaan we ervan uit dat de benodigde extra grond buiten de zone wordt gehaald, waar een GVE-bezetting van 2,6 GVE per hectare is toegestaan. Dat betekent dat het bedrijfsareaal moet uitbreiden van huidige 57 hectare naar 94 hectare, een toename van 37 hectare. Daarvan moet er minimaal 81 hectare uit grasland bestaan (=85 %). De gemiddelde veebezetting op de nieuwe totale bedrijfsoppervlakte is dan 1,9 GVE per hectare.
Lagere marge door extra grond en teeltkosten
Gevolg is minder mestafvoer, maar ook meer voer van eigen land. Per hectare is de opbrengst wel lager, omdat gras bij de huidige bemestingsnormen al ophoudt bij 12 ton droge stof per hectare, terwijl snijmaïs tot wel 20 ton droge stof kan opbrengen.
Lagere mestafzetkosten, minder ruwvoeraankoop, hogere teeltkosten en hogere pachtkosten. Hierbij is het uitgangspunt dat de extra grond wordt gepacht. Per saldo, met alle plussen en minnen, daalt de marge met ruim € 60.000!
Wordt de extra grond binnen de zonering gezocht, waar we rekenen met 1,5 GVE per hectare, dan zijn bij gelijkblijvende aantallen dieren zelfs 64 extra hectares nodig.
Naar verwachting gaan er binnen de zone forse beperkingen gelden voor het gebruik van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen en voor de hydrologie, waaronder de mogelijkheden voor beregening gaan gelden. Het totale bedrijfsareaal komt dan op 121 hectare, volledig binnen de zonering. Ook hier moet meer dan 85% grasland uit gras bestaan, dat is dan 103 hectare.
Ondanks de uitbreiding van de grond verwachten we dat er door aanzienlijke lagere gewasopbrengsten nog steeds een klein ruwvoertekort zal zijn. Bovendien zal dit alles ook veel invloed op de ruwvoerkwaliteit hebben. En deze gevolgen zijn naar verwachting niet positief!
Ondanks de zeer forse uitbreiding van het grondoppervlak blijft mestafzet nodig, al blijft dat beperkt. Daar staan uiteraard veel hogere teeltkosten en zeker ook pachtkosten tegenover.
Lagere melkproductie en hogere kosten
Aan de opbrengstenkant hebben we als uitgangspunt gepakt dat de melkproductie per koe zal dalen door lagere kwaliteit ruwvoer. Dit als gevolg van een fors lagere bemesting en de verandering van een op mais gebaseerd rantsoen naar een extensief gras rantsoen. In de berekening zijn we uitgegaan van een daling van de melkproductie van 11.500 naar 9500 kg melk per koe per jaar. Waarschijnlijk is dit nog een te positieve benadering.
Totaliteit dus enerzijds fors mindere opbrengsten uit vooral melkgeld, anderzijds lagere kosten voor ruwvoeraankoop en mestafzet. De kosten voor bewerkingen op en van het fors grotere bedrijfsoppervlakte nemen toe, net als de pachtkosten. Het uiteindelijke verschil komt uit op €120.000,- negatief ten opzichte van de uitgangssituatie.
In deze berekening hebben we geen rekening gehouden met flankerend beleid, financiële ondersteuning e.d..

Zie hierboven enkele resultaten uit de berekening. Let op bij het lezen van de tabel: Deze is gestandaardiseerd, dus niet direct 1 op 1 uit de resultatenrekening.
Het bedrijf voortzetten wordt onmogelijk
Conclusie is helder: Onder deze omstandigheden is het voorzetten van het bedrijf in de huidige vorm geen haalbare opgave. Het vraagt om een enorme systeemverandering, zoals halvering van de veestapel of omschakeling naar biologische landbouw. Ook deze opties zijn financieel niet rond te rekenen zijn, en ook niet te realiseren binnen enkele jaren.
In deze berekening zijn we uitgegaan van 100% van de grond in de zonering en zeer strenge normen. Hopelijk valt de uiteindelijk uitwerking op dit punt mee.
Anderzijds kan er ook gezocht worden naar grond buiten de zonering. Er is dan minder grond nodig, en er kan makkelijker voer geteeld worden met een hogere voedingswaarde. Met een hogere melkproductie als eindresultaat. De berekening komt dan minder negatief uit.
Maar hoe dan ook, de effecten van de zonering zijn waarschijnlijk veel groter dan de technische eisen uit de Kamerbrief van 26 juni.
De eerste vraag is bovendien waar de gewenste uitbreiding in grond gevonden moet worden. Deze oppervlakte is gewoon niet beschikbaar in de vorm van pacht of aankoop.
In de situatie van Houbraken moet er veel grond bij komen. In deze berekeningen zijn we uitgegaan van pacht, maar samenwerken met een akkerbouwer zou in theorie ook een optie kunnen zijn. Ook dan zal daar echter een flinke vergoeding tegenover moeten staan; anders heeft de akkerbouwer geen reden om de grond in de samenwerking in te brengen. Als de akkerbouwer voor € 2.500 per hectare moet pachten, zal deze grond niet voor minder beschikbaar komen voor Adrian of een andere melkveehouder binnen een samenwerkingsverband. Per saldo zal dit daarom maar weinig verschil maken.
Van waardering naar sloop
Wat vooral pijn doet is het feit dat er complimenten gegeven worden voor de behaalde resultaten, zoals de goede waterkwaliteit en de lage nitraatgehalten, terwijl de financiële toekomst van zijn bedrijf sterk onder druk komt te staan. De berekeningen wijzen op een situatie waarin voortzetting financieel onhaalbaar is.
Daarnaast speelt het gevoel dat er onzorgvuldig wordt omgegaan met de grond. Er is jarenlang gewerkt aan de opbouw van goede landbouwgrond en aan een gezond en toekomstbestending melkveebedrijf. Nu dreigt die opbouw volledig teniet te worden gedaan. Dit is geen uitmijnen of een ander vriendelijk woord. Voor Adrian voelt het simpelweg als slopen van een gezond, toekomstbestendig melkveebedrijf wat hij jarenlang heeft opgebouwd en bijdraagt aan het beheren van een waardevol gebied. ”Slopen zoals ook letterlijk gebeurt met de stallen van de stoppers die deel hebben genomen aan de opkoopregeling,” voegt hij eraan toe.