Blijvend grasland op Koeien & Kansen bedrijven

Blijvend grasland draagt positief bij aan de waterkwaliteit en het versterken van de biodiversiteit. Daarom zijn binnen de Europese Unie afspraken gemaakt over het behoud van blijvend grasland. Voor melkveehouders is het behouden van blijvend grasland echter ook een economische afweging. Hoe heeft het areaal blijvend grasland zich de afgelopen zeven jaar ontwikkeld op de Koeien & Kansen-bedrijven?  Welke keuzes hebben deze melkveehouders daarin gemaakt.

Figuur 1: Het verloop van het aandeel grasland als deel van het totaal areaal (%, blauw), het aandeel blijvend grasland als deel van het totaal areaal (%, groen) en het aandeel blijvend grasland als deel van het totale grasland areaal (%, geel) in Koeien & Kansen per hoofdgrondsoort (Klei, Zand, Veen) en voor alle Koeien & Kansen bedrijven (K&K) van 2019 tot en met 2025.

Over alle Koeien & Kansen-bedrijven op kleigrond is te zien dat het aandeel grasland relatief stabiel blijft. Het aandeel blijvend grasland schommelt met een piek in 2024. Op zandgrond daalt het aandeel grasland daarentegen gestaag, tot onder de 80% van het totale areaal in 2025. Ook het aandeel blijvend grasland op zandgrondbedrijven schommelt. Daarbij is in 2024 en 2025 een daling zichtbaar ten opzichte van 2023. Op Koeien & Kansen-bedrijven op veengrond zijn zowel het aandeel grasland als het aandeel blijvend grasland gedaald in 2025 ten opzichte van 2024. Maar het areaal blijft hier echter hoog. Over alle Koeien & Kansen-bedrijven samen blijft het aandeel grasland in 2025 boven de 80 procent en is het redelijk stabiel. Wel is er een duidelijke daling te zien tussen 2025 en 2024 in het aandeel blijvend grasland.  

Binnen het Koeien & Kansen project zijn er vier bedrijven waar het aandeel blijvend grasland stabiel hoog is. Op deze bedrijven vindt geen gewasrotatie plaats. Dit zijn allemaal bedrijven op veen- en natte zandgronden. Daarnaast zijn er zes bedrijven waar het aandeel blijvend grasland stabiel is en gewasrotatie met akkerbouwgewassen ook stabiel blijft. Op twee bedrijven stijgt het aandeel blijvend grasland door het aantrekken van natuurland. En op vier bedrijven daalt het aandeel blijvend grasland zoals te zien is in Figuur 2. (groene en gele lijn). Deze bedrijven worden verderop in dit artikel nader besproken.

Landelijke trends

Landelijk is een daling van het areaal grasland al langer ingezet. Deze afname lijkt de laatste jaren niet duidelijk te versnellen of te vertragen. Het aandeel blijvend grasland binnen het totaal areaal grasland lijkt stabiel te blijven. Uit een analyse van het CBS, met gegevens tot en met 2023, blijkt dat grasland op landelijke schaal vooral wordt omgezet in natuurlijk grasland, of in bebouwd gebied, en in beperkte mate in akkerbouw. Deze gegeven omvatten nog niet de volledige afbouw van de derogatie, waarvan 2025 het laatste jaar was. Een bureaustudie gericht op optimalisatie van het bouwplan laat zien dat het economisch aantrekkelijk kan zijn om bij het wegvallen van de derogatie af te stappen van 80% grasland op melkveebedrijven.

Vier Koeien & Kansen-bedrijven uitgelicht

Figuur 2. Het verloop van het aandeel grasland als deel van het totaal areaal (%, blauw), het aandeel blijvend grasland als deel van het totaal areaal (%, lichtgroen) en het aandeel blijvend grasland als deel van het totale grasland areaal (%, geel) op 4 K&K bedrijven van 2019 tot en met 2025.

De achtergronden bij veranderingen in aandeel blijvend grasland verschillen sterk per bedrijf. We lichten vier Koeien & Kansen-bedrijven uit om de verschillen in ontwikkelingen toe te lichten.

Het eerste bedrijf is een bedrijf op zandgrond waar vanaf 2024 geen maïs meer in continuteelt geteeld mag worden. Om dezelfde hoeveelheid mais te blijven verbouwen, is het maïsareaal in rotatie gekomen met grasland. De totale hoeveelheid grasland blijft gelijk, maar het aandeel blijvend grasland daalt daarmee. Dit bedrijf ondervindt daar zowel voor- als nadelen van. Vanuit oogpunt van biodiversiteit was altijd het streven naar veel blijvend grasland, maar het huidige beleid werkt hier averechts voor. Tegelijkertijd ziet dit bedrijf de kans om grasland waar veel witbol zich gevestigd heeft om te zetten in tijdelijk grasland met een betere voederwaarde.

Het tweede bedrijf op kleigrond is meer gaan samenwerken met een akkerbouwer. De samenwerking houdt in dat de veehouder een deel van zijn grasland beschikbaar stelt voor de teelt van akkerbouwgewassen en dat de akkerbouwers mest aanneemt van de veehouder. Op deze manier kan de mest op een economisch aantrekkelijke wijze afgevoerd van het bedrijf afgevoerd worden. Als de veehouder al aan vruchtwisseling deed, worden door de samenwerking meer bouwlandgewassen in rotatie opgenomen. Voor de akkerbouwer ontstaat een vruchtwisseling met een graslandfase die zonder samenwerking ontbrak. Dit heeft als voordeel voor de veehouder dat de mestafzet geregeld is. Daar staat tegenover dat er meer grasland in rotatie gekomen, waardoor het totale areaal grasland nagenoeg gelijk blijft, maar het aandeel blijvend grasland daalt. De akkerbouwers waarmee wordt samengewerkt, kunnen hier door werken met een extensievere gewasrotatie wat vanuit akkerbouwperspectief de bodemgezondheid ten goede komt.

Twee andere bedrijven (3 en 4, Figuur 2) op kleigrond hebben in 2018 en 2019 veel last gehad van de droogte. Veel blijvend grasland percelen hebben daaronder geleden hebben. Beide bedrijven hebben slechte ervaringen met het vernieuwen van grasland zonder tussengewas. Daardoor is ervoor gekozen om de graszoden over meerdere jaren te verbeteren met snijmaïs als tussengewas. Door de weersomstandigheden is hier de gewasrotatie en de daarvoor gekozen percelen dus veranderd.

Afsluitend

Er lijkt zowel landelijk als op Koeien & Kansen-bedrijven een trend te zijn naar minder blijvend grasland. Landelijk lijkt er ook een trend te zijn naar minder grasland maar dat is bij de Koeien & Kansen-bedrijven niet terug te zien. Veranderend beleid en klimaat lijken de verklaring te zijn achter de daling van het aandeel blijvend grasland.

 

Contactpersoon: