Toelaatbaar stikstof bodemoverschot, basis voor bedrijfsspecifieke stikstofbemesting in BSPN
In Koeien & Kansen loopt onderzoek naar de mogelijkheid om, door een bedrijfsspecifieke aanpak, het gebruik van de meststoffen N en P in de melkveehouderij beter in balans te brengen met de waterkwaliteit. Dit gebeurt in een pilot voor BedrijfsSpecifieke bemesting met kunstmest N en P (de BSPN pilot). In de pilot geldt het toelaatbaar overschot op de bodembalans als randvoorwaarde voor de bemestingsruimte.
Een nieuw element in de pilot is dat het toelaatbaar stikstof bodemoverschot afgestemd wordt op de gewenste kwaliteit van watersystemen. In dit webbericht leggen we uit hoe dit toelaatbaar bodemoverschot wordt berekend en functioneert als basis voor bemesting.
Toelaatbare overschotten voor stikstof
In de BSPN gelden toelaatbare overschotten voor stikstof en fosfaat op de bodembalans als randvoorwaarde voor de gebruiksruimte; net als in eerder uitgevoerde pilots voor bedrijfsspecifiek bemesten, zoals de BES. Een vernieuwend aspect in de BSPN pilot is echter dat mogelijkheden worden verkend om het maximaal toelaatbaar N bodemoverschot af te stemmen op de gewenste kwaliteit van watersystemen. Waar eerdere benaderingen vooral gericht waren op grondwaterkwaliteit stemt de BSPN nadrukkelijker af op de gewenste oppervlaktewaterkwaliteit. De gewenste kwaliteit van verschillende oppervlaktewatersystemen in Nederland is sterk verschillend. Om te voorkomen dat de aanpak te complex wordt, gaat het project voorlopig uit van de richtwaarde voor de N concentratie in oppervlaktewater die in KRW-maatlatten voor sloten als doelwaarde wordt gehanteerd: 2,4 mg N per liter. Dat is lager dan de nitraatnorm voor grondwater van 50 mg per liter. De nitraatnorm komt overeen met 11,3 mg N per liter.
Meewegen van grond- en oppervlaktewater
In deze aanpak brengt afstemming op oppervlaktewater in het algemeen een lager toelaatbaar N bodemoverschot met zich mee dan afstemming op grondwater. Maar een bedrijf moet zich kunnen richten op een toelaatbaar N bodemoverschot en één gebruiksnorm. Oppervlaktewater en grondwater moeten daarom allebei meewegen.
In de berekening houden we rekening met de mate waarin bedrijfspercelen in contact staan met waterlopen. Dit is van belang want er zijn enerzijds bedrijven waar praktisch elk perceel aan een sloot grenst, zoals bijvoorbeeld in het veenweidegebied en anderzijds bedrijven waar rond percelen helemaal geen afwaterende sloten aanwezig zijn, zoals op droge zandgronden. Naarmate percelen op een bedrijf meer in contact staan met waterlopen weegt oppervlaktewater zwaarder mee als randvoorwaarde en andersom. Dit doen we door per perceel de lengte die grenst aan een waterloop te delen door de totale grenslengte van het perceel. Dit verhoudingsgetal (tussen 0 en 1, zie figuur 1) noemen we connectiviteit. We bepalen de connectiviteit voor elk perceel op een bedrijf. Het gemiddelde van dit getal gewogen naar perceelsoppervlakte is de connectiviteit op bedrijfsniveau.

Figuur 1a: uitleg van het grensvlak aan de sloot ten opzichte van het totale grensvlak. Hierbij worden de perceelsgrenzen die direct aan de sloot liggen gedeeld door het totale aantal meters perceelsgrenzen.

Werken binnen het toelaatbaar overschot op de bodembalans
Voor ondernemers is het allereerst de vraag wat het toelaatbaar overschot is, waaraan ze moeten voldoen. Vervolgens is de vraag hoe ze er met hun management op kunnen sturen. Dit kan door te streven naar een hoge onttrekking van stikstof met gewassen en het maximaal benutten van de toegediende stikstof in de gewassen. Het gebruik van stikstof met mest (de som van dierlijke mest N die vast ligt op 170 kg N per ha en kunstmest) moet dan telkens worden afgestemd op deze gewasonttrekking. De onttrekking wordt voor elk bedrijf bepaald in de KringloopWijzer. In eerder uitgevoerde pilots werden de KringloopWijzer resultaten van het stikstobodemoverschot van drie voorgaande jaren gebruikt voor vaststelling van de gebruiksruimte in een komend jaar; dit zou ook een goede benadering kunnen zijn in de BSPN.
Aandachtspunten voor verdere uitwerking
Door deze benadering wordt in de BSPN de gebruiksruimte voor N en P bedrijfsspecifiek bepaald op een wijze die invulling geeft aan het begrip evenwichtsbemesting. In deze nieuw BSPN aanpak staat het in balans brengen van de bemestingspraktijken van bedrijven met de gewenste waterkwaliteit in de omgeving van de bedrijven centraal. De aanpak is nog in ontwikkeling waarbij wordt nagedacht over de volgende aandachtspunten:
- Deze benadering gaat uit van het tenminste voldoen aan normen/richtwaarden voor de gewenste kwaliteit in grondwater en oppervlaktewater. Dat betekent dat de huidige kwaliteit geen rol speelt in de bedrijfsspecifieke norm. De vraag is hoe dit zich verhoudt met de aanwijzing van NV gebieden, want daarbij speelt de huidige kwaliteit van watersystemen wel een rol.
- Bij het vaststellen van de connectiviteit moet nagedacht worden over de aanwezigheid van bufferstroken en drains.
- Borging inclusief betrouwbare uitslagen van gerealiseerde N bodemoverschotten zijn in deze benadering van belang.
- De kwaliteit van oppervlaktewater wordt niet alleen bepaald door alleen N en P belasting maar ook door andere factoren (bijvoorbeeld het voorkomen van invasieve soorten). Het voldoen aan KRW doelen kan dan ook vragen om andere beheersmaatregelen dan voor N en P waar andere partijen dan landbouwbedrijven een rol hebben.