‘Toekomstperspectief valt in duigen’
“Toekomstperspectief valt in duigen,” dat waren de eerste woorden van bedrijfsopvolger Kirsten Dekker, dochter van Koeien & Kansen-melkveehouders Johan en Carla Dekker, nadat zij op zaterdagochtend de kabinetsbrief had gelezen. Dat de aangekondigde maatregelen gevolgen zouden hebben, was verwacht. Als naar Flevolandse maatstaven relatief intensief melkveebedrijf hield de familie al rekening met een forse opgave. Toch kwam de omvang van de uitdagingen op het gebied van grondgebondenheid, stikstof en klimaat als een verrassing.
Grondgebondenheid
De grootste opgave wordt gevormd door de aangekondigde norm voor grondgebondenheid. In de brief wordt voor 2035 een norm van 2,6 GVE per hectare genoemd, terwijl nog niet duidelijk is welke gronden precies mogen worden meegeteld.
In 2025 kwam de familie Dekker uit op 6 GVE per hectare. Wanneer ook de hectares worden meegerekend waarvoor voer- en mestafspraken zijn vastgelegd binnen een straal van 25 kilometer, komt daar 16 hectare bij en daalt de bezetting naar 4,3 GVE per hectare. Als daarnaast ook de mestafzet naar akkerbouwbedrijven binnen deze straal mag worden meegenomen, komt de grondgebondenheid zelfs onder de 2 GVE per hectare uit.
De regionale akkerbouw en biologische landbouw zijn sterk gebaat bij de beschikbaarheid van homogene rundveemest die in het voorjaar snel geleverd kan worden. Juist in die periode moet er vaak in korte tijd veel mest worden uitgereden.
Volgens de familie Dekker zou een norm voor grondgebondenheid beter moeten aansluiten bij de productiecapaciteit van de grond en het vakmanschap van de ondernemer. Dat past volgens hen ook bij het principe van doelsturing. Wanneer de doelstellingen voor de grondwaterkwaliteit worden gehaald – iets wat de grondwatermetingen op het bedrijf al jarenlang laten zien – zou een passende grondgebondenheidsnorm mogelijk gebaseerd kunnen worden op de ruwvoerbalans. Uit berekeningen blijkt dat bij een bouwplan van 80% grasland en 20% maïs ongeveer 3 GVE per hectare mogelijk is.
Stikstof
Ook op het gebied van stikstof zijn de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet. De ammoniakemissie uit stal en mestopslag daalde van 0,309 kilogram ammoniak per fosfaatrecht in 2019 naar 0,255 kilogram in 2025, een afname van circa 20 procent.
Om te voldoen aan de voorgestelde norm van 0,164 kilogram NH₃ per fosfaatrecht moet de ammoniakemissie nog eens met circa 35 procent worden verlaagd. Volgens de familie Dekker is een dergelijke reductie niet haalbaar met uitsluitend kosteneffectieve managementmaatregelen. Daarbij komt dat het ruw eiwitgehalte (RE) in het rantsoen de afgelopen drie jaar gemiddeld al rond de 150 gram per kilogram droge stof lag, wat aangeeft dat er op dit vlak al belangrijke stappen zijn gezet.
Klimaat
Ook binnen het thema klimaat wordt al jarenlang gewerkt aan emissiereductie. Binnen het project Koeien & Kansen is veel aandacht besteed aan het terugdringen van de methaanuitstoot.
In 2025 bedroeg de uitstoot vanuit pensfermentatie, stal en mestopslag gezamenlijk ongeveer 120 kilogram CO₂-equivalenten per fosfaatrecht. Om in 2035 te voldoen aan de voorgestelde norm van 92 kilogram CO₂ per fosfaatrecht, is een verdere reductie van 23 procent noodzakelijk. Ook hier zijn de kosteneffectieve management maatregelen grotendeels ingezet.



En nu?
Dat is de vraag die Kirsten zichzelf stelt.
Momenteel zit zij in het laatste jaar van haar studie Diergeneeskunde in Utrecht en bereidt zij zich tegelijkertijd voor op een toekomstige bedrijfsovername via toetreding tot de maatschap.
Ondernemen in de landbouw betekent voortdurend anticiperen op veranderingen in beleid, markt en maatschappij. Juist daarom neemt de familie Dekker al jarenlang deel aan Koeien & Kansen, waar kennis, innovatie en praktijkervaring samenkomen om bedrijven voor te bereiden op de uitdagingen van de toekomst.
Tegelijkertijd maken de nieuwe opgaven duidelijk dat verdere stappen niet alleen van ondernemers gevraagd kunnen worden. In zijn recente stikstofbrief heeft minister Jaimi van Essen middelen gereserveerd om de transitie van de landbouw te ondersteunen, met expliciet aandacht voor jonge boeren en bedrijfsopvolgers.
Voor Kirsten biedt dat enig perspectief. De bereidheid om te veranderen en te investeren is er, maar de vraag blijft welke ruimte ondernemers krijgen via doelsturing om die transitie daadwerkelijk vorm te geven. De komende jaren zullen uitwijzen of ambitieuze doelen en een toekomst voor jonge boeren hand in hand kunnen gaan.