Hoe krijg je grip op het eiwitniveau in het rantsoen?

Het is aantrekkelijk om eiwit zo efficiënt mogelijk te benutten, omdat een te hoog eiwitgehalte in het rantsoen vaak leidt tot meer mestafzet en dus hogere kosten. Het ruw eiwitgehalte in het rantsoen blijft voor veel melkveehouders een lastig en soms ongrijpbaar onderdeel van het bedrijfsmanagement. Tegelijkertijd wil je ook een juiste balans houden tussen voldoende eiwit in het rantsoen en een hoge melkproductie. Die afweging blijkt elk jaar weer een uitdaging. Het resultaat dat de KringloopWijzer laat zien blijft een cijfer achteraf. Wie echt grip wil krijgen op eiwit, moet het jaar niet afwachten, maar al bij de start weten waar hij staat en daar gericht op inspelen.

De beste manier om dat te doen, begint bij het analyseren van de ruwvoerpositie waarmee je het jaar ingaat. De beginvoorraad bepaalt immers het eerste halfjaar van je rantsoen. Het is belangrijk te weten welke kuilen er gevoerd gaan worden, wat hun ruw eiwitniveaus zijn en hoelang je hiervan zult voeren. Wanneer je jaar begint met een kuil van bijvoorbeeld 170 ruw eiwit, vraagt dat om een heel andere strategie dan wanneer je start met een partij van 145. Pas als je deze basis helder hebt, kun je bepalen of je dit jaar hoger of lager start dan voorgaande jaren en welke aanpassingen nodig zijn om richting je doelen te werken en of je het doel überhaupt kan gaan halen.

Kaders bepalen voor het komende jaar

Vanuit die analyse kun je vervolgens de kaders voor het komende teeltjaar bepalen. Het is essentieel om na te denken over welk eiwitniveau je dit jaar in het rantsoen wilt realiseren, welke besparing op mestafzet je voor ogen hebt of welk niveau van eiwit van eigen land je wilt behalen. Deze doelen geven richting aan keuzes in bemesting, maaimomenten, snedesturing, graslandmanagement en de verhouding tussen gras en mais. Vooral de bemesting is hierbij een belangrijke knop: een hogere stikstofgift leidt tot hoge RE-waarden in de kuil maar dit moet wel aansluiten bij de hoeveelheid energie (bijv. snijmais) in het rantsoen en het maaimoment. Voeg de verwachte veranderingen al toe aan je Kringloopwijzer om te kijken welk resultaat de planning kan opleveren.
Ervaring leert dat melkveehouders uitstekend in staat zijn om op basis van kuilanalyses en praktijkervaring tijdens het groeiseizoen gericht bij te sturen. Het belangrijkste is dat er duidelijke kaders zijn: bepaal vooraf welk eiwitniveau nodig is om je doel te realiseren.

Houd er tegelijkertijd rekening mee dat een plan nooit exact uitkomt door veranderende omstandigheden. Juist die vooraf gestelde kaders helpen om gedurende het jaar de juiste keuzes te maken.

Betrek je voeradviseur erbij

Het is verstandig om je doelen en grenzen expliciet te delen, zodat je adviseur weet welk eiwitniveau de aanvoerbronnen mag bevatten. Wanneer duidelijk is dat dit jaar bijvoorbeeld je aanvoerbronnen gemiddeld maximaal 180 gram ruw eiwit mag bevatten geeft dat ook een kader in het rantsoenadvies. Een adviseur die weet wat de spelregels zijn, denkt veel gerichter mee en voorkomt dat er ongemerkt te veel eiwit wordt aangevoerd.

Tip

Vers gras, graskuil en maiskuil bepalen het grootste deel van het rantsoen op je bedrijf. Als deze al te ver afwijken van het gewenste niveau, is het vrijwel onmogelijk om dat met krachtvoer of bijproducten te corrigeren. Aanvoerbronnen kunnen de puntjes op de i zetten, maar niet het totale rantsoen wijzigen. Met andere woorden: de kuilen bepalen je speelruimte, aanvoerbronnen zorgen alleen voor de afwerking. Wie zijn basis op orde heeft, hoeft in de bijsturing nauwelijks meer grote correcties te doen. Grip op eiwit betekent dat je niet wacht op het uiteindelijke KLW-resultaat, maar het jaar actief vormgeeft. Start met een helder beeld van je voervoorraad en de kwaliteit daarvan. Stel duidelijke doelen, stem je teelt en bemesting hierop af, evalueer per snede en betrek je adviseur in je strategie. Zo wordt ruw eiwit geen verrassing meer in december, maar een factor waarop je het hele jaar bewust en effectief stuurt.

Contactpersoon: